Kijk me (niet) aan!

We zitten buiten op het bankje, mijn collega en ik. Het is een frisse maar zonnige herfstdag en de kleuters spelen buiten. In mijn ooghoek zie ik dat er wild gespeeld wordt door een groepje kinderen. De scheppen zijn geweren, en de schietgebaren worden ondersteund door harde schietgeluiden en geschreeuw. Hierbij wordt ook flink geduwd en getrokken en iets zegt me dat dit zo uit de hand gaat lopen. En jawel hoor, ineens slaat de vlam in de pan en wordt er door twee kinderen met een schep flink hard geslagen. Omdat ik net een ander kind aan het troosten ben, staat mijn collega op en loopt er heen. “Komen jullie twee maar even naar het bankje” zegt ze tegen de twee jongens die met de schep sloegen. Het zijn twee jongens uit mijn groep. Joris en Bart. Joris is een rouwdouwer. Hij neemt vaak het initiatief tot stoer spel. Bart is een heel zachtaardig kind, zorgt goed voor de jongsten in de klas, voelt zich eigenlijk prettiger bij wat rustiger spel, maar wil ook graag aansluiting bij de andere grote jongens.

“Nou..,” hoor ik mijn collega zeggen, “vertel maar eens wat er is gebeurd.” Joris kijkt haar recht aan en doet verontwaardigd zijn relaas. Volgens hem is Bart zomaar ineens gaan slaan met die schep. Bart kijkt naar zijn schoenen. Hij is flink overstuur, zijn schouders schokken en de tranen druppen op zijn schoenen. Hij schreeuwt dat het niet klopt wat Joris zegt. Meestal laat ik hem eerst even met rust als hij zo van streek is, maar mijn collega voert het gesprek en ik besluit me er niet ook nog eens in te mengen. “Bart,” zegt ze rustig, “nu ben jij aan de beurt, vertel eens wat er volgens jou gebeurde?” Bart is nog zó boos, dat hij bijna weer een mep wil verkopen aan Joris. Mijn collega pakt hem bij zijn arm, trekt hem zachtjes naar zich toe en zegt: “Hier ben ik, vertel het maar aan mij.” Bart kijkt naar een punt achter haar en doet zijn verhaal. Hij wílde helemaal niet slaan, maar Joris bleef maar achter hem aan rennen en hij wilde helemaal niet meer meedoen. Hij zei stop en Joris ging maar door en duwde die schep keihard in zijn zij en toen heeft hij iets terug gedaan. “Kijk me eens aan als je tegen me praat…” zegt mijn collega, terwijl ze zijn kin vastpakt,  waardoor hij haar wel in de ogen móet kijken. Bart rukt zijn kin los en kijkt met een strak gespannen nek naar rechts. Opnieuw pakt mijn collega zijn kin en probeert zijn hoofd naar voren te draaien. Bart houdt zijn hoofd stijf en weigert haar aan te kijken. “Dan ga maar even nadenken naast het bankje,” zegt ze resoluut. “Ik wil dat je me aankijkt als ik met je praat.” Ik ben trots op Bart dat hij zijn verhaal zo goed deed, dat heeft hij echt moeten leren. Zeker op momenten als deze, als hij zo overstuur is. Ik merk dat ik nu anders zou reageren dan mijn collega. Wat maakt het uit of hij haar aankijkt? Waarschijnlijk schaamt hij zich, want hij doet eigenlijk zelden iemand pijn. Ik vraag me vertwijfeld af wat ik moet doen. Want ja.., het is netjes om iemand aan te kijken als diegene met je praat. En kinderen moeten dit soort dingen ook leren. Ik heb bewondering voor de manier waarop mijn collega kinderen kan laten gehoorzamen. Maar het voelt in dit geval niet goed.

Oogcontact als basale manier van contact maken
Het valt ons vaak niet op, maar bijna ieder kind maakt oogcontact. Oogcontact is een basale manier van contact maken. Onderzoek toont aan dat de hersengolven van baby’s en volwassenen meer gelijk gaan lopen als ze elkaar aankijken.*1 De moeder en haar kind gaan als het ware met elkaar ‘meetrillen’ in een immens verbonden ritme. Ook bij volwassenen is dit aangetoond, mits er een veilige synchrone communicatie is. Oogcontact geeft verbondenheid, stimuleert empathie en maakt dat we ons gezien voelen. Het geeft vlinders in je buik als je af en toe speels oogcontact maakt met een vreemde in de trein en kan je nét dat steuntje in de rug geven als je iemand aankijkt tijdens een spannende presentatie.
De andere kant merken we ook snel op. Als je gesprekspartner op zijn of haar telefoon kijkt tijdens een gesprek, komt dit ongeïnteresseerd over. We merken het al snel op als iemand langs ons heen kijkt in plaats van naar ons. Onze hersenen zijn gebrand op contact. Maar er is veel meer te zeggen over oogcontact.

Als we kijken naar wat er in de hersenen gebeurt, dan zie je dat oogcontact onder andere de amygdala activeert, waar de inschatting wordt gemaakt tussen veilig en onveilig.  Deze inschatting gebeurt sneller dan ons bewustzijn kan bijbenen. Mensen met autisme hebben een actievere amygdala, die sneller alarm slaat. Onderzoek toont aan dat enkel het maken van oogcontact al een overprikkeling van de amygdala teweeg brengt bij mensen met autisme.*2 Vandaar dat zij oogcontact vermijden als manier om overprikkeling te voorkomen.  Ook hoogsensitieve kinderen en volwassenen willen oogcontact vaak liever vermijden, waardoor je je kunt afvragen of hier hetzelfde mechanisme werkt. Onderzoek toont echter aan dat hoogsensitiviteit niet betekent dat de amygdala actiever is. Het is dus niet het oogcontact zelf dat overprikkeling en onveiligheid oproept.

Oogcontact maakt je meer zelfbewust
Franse onderzoekers*3 ontdekten dat oogcontact je meer zelfbewust maakt. Bewuster van je eigen lichaam, je emoties en je gedrag.  In eerste instantie zie je de ander, maar al snel wordt de aandacht meer naar het zelf gericht. De ervaring en alle informatie die binnenkomt op dat moment, wordt bezien in sterke relatie tot zichzelf. Mensen houden meer rekening met de omgeving en zijn geneigd eerlijker te zijn als ze ogen op zichzelf gericht weten. Overigens betekent dat niet altijd dat wat je dan voelt ook daadwerkelijk je eigen emoties en ervaringen zijn. Spiegelneuronen in onze hersenen spiegelen namelijk razendsnel de minste bewegingen en signalen van de ander waardoor je die ook – zij het in mindere heftigheid- ervaart in je eigen lichaam. Dit maakt het mogelijk om mee te voelen met de ander. Veel van deze processen vinden onbewust plaats.  Kijken we de ander in de ogen, dan maken onze hersenen dus niet alleen direct een inschatting van de eigen status, maar ook die van de ander en dit alles in relatie tot elkaar.

‘Hoogsensitieve kinderen hebben de eigenschap dat hun hersenen alle prikkels die binnenkomen dieper verwerken.’

Stel je eens voor dat een hoogsensitief kind bij de leerkracht wordt geroepen om te praten over het proefwerk dat is gemaakt en daarbij verwacht wordt dat het de juf in de ogen kijkt. Op dat moment maken de hersenen direct een gevaarsinschatting, door de lichaamshouding en gezichtsuitdrukking van de juf te interpreteren. Dat inschatten van de emoties van de ander, de kans dat je hebt gefaald, je eigen verwachtingen van wat je zou moeten kunnen, de ogen van de leerlingen uit je klas (al dan niet terecht) en eerdere moeilijke ervaringen kunnen allemaal maken dat de prikkels al behoorlijk toegenomen zijn.

Alleen al de uitgesproken verwachting iemand te moeten aankijken, vestigt de aandacht op dat gegeven in plaats van de inhoud van wat er besproken wordt. Het gaat dan over gevoelde status, over de toon waarop het gezegd werd, de gevoelde (eenzijdige) verplichting van kwetsbaarheid, waardoor er geen gezamenlijkheid kan optreden. Dit alleen al is schaamteopwekkend en daarmee ook overprikkelingopwekkend.

Als oogcontact teveel is..
Samengevat hebben hoogsensitieve kinderen geen biologische redenen dat oogcontact an sich een probleem maakt., maar blijkt het tegelijkertijd wel regelmatig teveel te zijn.  Wanneer je deze kinderen dus simpelweg vertelt dat oogcontact maken niet nodig is, vergroot je niet alleen mogelijke slachtoffergevoelens, maar ontneem je een kind ook mogelijkheden om verbondenheid te ervaren en in sociaal opzicht te groeien. Tegelijkertijd is het wel belangrijk om te onderkennen dat zelfbewuste emoties als schaamte en gevoeligheid voor falen, -net als andere (emotionele) prikkels-, al voor een hoger prikkelniveau kunnen zorgen, waardoor overprikkeling op de loer ligt of al aanwezig is. In die gevallen is het maken van oogcontact contraproductief en teveel gevraagd van een kind. Het creëren van een veilige sfeer en het kind leren omgaan met zelfbewuste emoties en veelheid van prikkels zijn dan voorwaarden om (oog)contact te kunnen maken.

Overigens blijkt uit onderzoek*4 dat oogcontact en cognitieve processen interfereren op het moment dat de cognitieve taak veel vraagt.  Dit betekent dat iemand aankijken en tegelijkertijd nadenken en antwoord geven niet mogelijk is. Het is heel normaal om tijdens een (moeilijk) gesprek regelmatig weg te kijken en dat de perioden van oogcontact niet lang zijn, maar wel regelmatig voorkomen.

Inmiddels is mijn collega naar binnen gelopen om een pleister te halen. Ik kijk opzij en stuur een geruststellend glimlachje naar Bart. Dan kijk ik weer recht vooruit en zeg: “Knap hoor dat je zo goed kon uitleggen wat er gebeurd is… ik snap dat je zo schrok en niet rustig na kon denken…” Ik slik de opmerking dat slaan met een schep verkeerd is in, want dat beseft hij zelf maar al te goed. Ik steek mijn hand uit en trek Bart zachtjes op mijn schoot. Hij is rustig nu. “Wat zou je nu een volgende keer kunnen doen?” Bart kijkt voor zich uit, “ik kan beter met Elsa en Noor in de zandbak spelen”. “Ga dat maar lekker doen dan” zeg ik en Bart glijdt van mijn schoot. Hij draait zich na een paar meter o , kijkt me recht in mijn ogen en zegt: “ Juf, ik ga een hele lekkere taart voor je maken, kom je zo kijken?”

Deze blog is geschreven door Mirjam Bogerd-vd Brink en Marieke Damman

*1 Leong, V. Et al (2017). Speaker gaze increases information couling between infant and adult brain. PNAS
*2 Hajikhani, N. Et al. (2017). Look me in the eyes: constraining gaze in the eye region provokes abnormally high subcortical activation in autism. Scientific Reports.
*3 Conty, L., George, N. & Hietanen, J.K. (2016). Watching Eyes Effect: When others meet the self. Consiousness and Recognition.
*4 Kajimura, S., & Nomura, M. (2016). When we cannot speak; Eye contact disrupts resources available to cognitive control processes during verb generation. Cognition.

 

 

 

 

 

 

Xandra van Hooff

Xandra van Hooff is eigenaar en hoofdtrainer bij GaveMensen. Zij laat professionals tijdens haar opleidingen en masterclasses zo hard de verdieping in schieten dat ze er vervuld, verzadigd en volkomen gelukkig aan het einde weer uit stuiteren.