Perfectionisme is een vermoeiende eigenschap. Die je ook nog eens kwetsbaar maakt voor burn-out en depressies. Lang was het devies dus: weg ermee. Maar inmiddels denken psychologen daar anders over. Waarom je blij mag zijn met je perfectionisme. En: hoe je het in de hand houdt.

Witte tanden, slanke taille, tweemaal daags fruit, driemaal wekelijks intensief bewegen. De nieuwe Knausgard op het nachtkastje. Iedere vrijdagavond iets leuks met vrienden. Kinderen zonder leerproblemen, keukenkastjes zonder kruimels, zesmaal per maand (minstens) spetterende seks.

Heb je in gedachten mee afgevinkt? En, hoe was je score? Waarschijnlijk lager dan je zou willen. De kans is zelfs aanzienlijk dat deze opsomming je een rotgevoel geeft. Mooi, dan ben je net als bijna ieder ander. Imperfect.

Sommige mensen kunnen dat besef makkelijk van zich afzetten. Anderen hebben daar moeite mee. Volgens Brené Brown zijn die laatsten tegenwoordig in de meerderheid. Want, zegt de Amerikaanse onderzoekster: we leven in perfectionistische tijden. Op tv en in de sociale media, onder collega’s, op buurtborrels, overal worden we belaagd door torenhoge verwachtingen. We moeten slank en jeugdig ogen, een bloeiende vriendenkring en de juiste gadgets hebben, succesvol zijn in ons werk. En dat alles zonder merkbare moeite. Wie zichtbaar ploetert, is ook af. Brown schreef een boek over die alomtegenwoordige ‘stem van het perfectionisme’: Gelukkig ben ik niet de enige. Het ligt sinds kort hoog opgestapeld in de boekhandel, naast haar eerder verschenen bestsellers De kracht van kwetsbaarheid en De moed van imperfectie.

Dat haar boeken zo aanslaan is niet vreemd. Ze roepen veel herkenning op. O ja, dat gevoel de enige te zijn die na een lange werkdag te lamlendig is om naar yoga te gaan. Of die als enige niet doorhad dat kleur passé is en alles nu grijs moet zijn.

Doorbijten en ploeteren

Brené Brown kent dat geworstel zelf ook. In De moed van imperfectie beschrijft ze hoe ze eind 2006 in een diepe persoonlijke crisis belandde door een onderzoek dat ze toen deed: naar mensen die, in haar woorden, een bezield leven leiden. Wat betekent dat ze zich niet door angst en gêne laten afleiden van waar het werkelijk om gaat. Wat Brown ineens inzag, was dat de door haar bewonderde authentiekelingen in vrijwel alles anders waren dan zij. Brown: ‘Ik had verwacht dat bezielde mensen net zo waren als ik, en dezelfde dingen deden als ik: hard werken, je aan de regels houden, doorgaan totdat iets perfect is, voortdurend proberen jezelf beter te leren kennen, je kinderen opvoeden volgens de boekjes…’

Maar nee, al die dingen deden ze dus niet. Ze deden juist dingen die Brown nooit deed. Zoals spelen, rust nemen, dankbaar zijn, vertrouwen hebben in een goede afloop. Zomaar een middag zitten knutselen en zich niet afvragen of het wel mooi was wat ze maakten. En als ze vastliepen in een klus gewoon even afleiding zoeken in plaats van – in de woorden van Brown – ‘een mep op de dip-knop te geven’ (lees: Doorbijten, Inschikken, Ploeteren).

Stressbron van jewelste

Doorbijten, inschikken, ploeteren. Het is ongezond gedrag. Net als jezelf geen foutje vergeven. Alles tot in de puntjes plannen. Ziek zijn iets voor watjes vinden.

Dat alles wist Brené Brown voorafgaand aan haar inzinking ook wel. Iedere sociale wetenschapper weet hoe perfectionisten lijden onder hun drang op alle fronten te scoren. Onderzoek na onderzoek heeft dat de afgelopen decennia immers uitgewezen. Perfectionisme is een stressbron van jewelste en perfectionisten hebben dan ook significant vaker last van angststoornissen, depressies en burn-out. Verder lijden ze bovengemiddeld vaak aan onverklaarbare pijnen en migraine. Tot slot vertonen ze veel eetstoornissen en is hun zelfmoordrisico hoger.

Geen wonder dat perfectionisme van oudsher in een slechte reuk staat. Wie met psychologische klachten bij een therapeut komt en op perfectionisme wordt ‘betrapt’, krijgt steevast het advies dat Brown in De moed van imperfectie ook geeft: houd gewoon op volmaaktheid na te streven, dan zul je je snel beter voelen.

Na haar inzinking nam Brown dat advies zelf eindelijk ter harte. Zo gaat ze tegenwoordig een eindje wandelen als ze vastzit in een onderzoek, en doet ze van tijd tot tijd nutteloze dingen als pompoenen beschilderen – ja, echt. En die ‘beslissing om uitputting en productiviteit niet langer te zien als iets om trots op te zijn’ heeft haar goed gedaan, schrijft ze; ze is stukken gelukkiger.

Niet tevreden met een zesje

Het klinkt inderdaad heerlijk. Gewoon de lat over de hele linie wat lager leggen. Maar nog afgezien van de vraag of iedere perfectionist dat zo makkelijk kan – waarschijnlijk niet, want alles duidt erop dat die hang naar volmaaktheid voor een flink deel genetisch bepaald is – veel perfectionisten wíllen het niet eens. Want dat is ook een harde onderzoeksuitkomst: perfectionisten houden van hun perfectionisme. De meesten moeten er echt niet aan denken hun normen naar beneden bij te stellen en genoegen te nemen met gemiddelde uitkomsten. Ze beschouwen hun ‘afwijking’ in essentie als een goede eigenschap.

En daar hebben ze nog gelijk in ook, betoogt de Amerikaanse klinisch psycholoog Jeff Szymanski in zijn boek The perfectionist’s handbook. Niet tevreden zijn met een zesje ís een goede eigenschap. Op welk terrein je ook kijkt, of dat nou de wetenschap, het bedrijfsleven, sport of de kunsten is: de echte uitblinkers zijn vrijwel zonder uitzondering perfectionisten.

Niet dat Szymanski blind is voor de problematische kanten ervan. Als therapeut is hij gespecialiseerd in de behandeling van mensen met een dwangstoornis, en hij ziet bij hen heel schadelijke vormen van perfectionisme. Ook erkent hij dat het streven naar volmaaktheid vaak een rol speelt bij burn-outs en depressies.

Maar laten we wel wezen, zegt hij; in dergelijke gevallen hebben we het over mensen die helemaal aan het eind van een continuüm zitten. En de meeste perfectionisten zitten echt niet in die ziekelijke hoek. Ze stellen hun verwachtingen heus wel bij voordat die zich tegen hen keren. En vooral: ze bijten zich niet vast in dingen goed doen om het dingen goed doen. Bij al hun aandacht voor details houden ze voortdurend hun doel voor ogen. En dat zijn dingen die iedereen kan leren die in staat is tot zelfreflectie en genoeg discipline heeft, zegt Szymanski. Maar zeker dat laatste hebben perfectionisten doorgaans voldoende.

Verrassend gunstig beeld

Het mooie is: Szymanski kan zijn positieve woorden eveneens schragen met wetenschappelijke literatuur. Want er ligt inmiddels ook het nodige pro-perfectionistische onderzoeksmateriaal. Dat hebben we vooral te danken aan de Amerikaanse psycholoog Robert Slaney. Deze deed eind vorige eeuw als eerste onderzoek met mensen die zowel volgens zichzelf als hun omgeving perfectionistisch waren, maar die – en dat was nieuw – geen therapie volgden. Het was dus een andere onderzoekspopulatie dan tot dan toe onderzocht was. En dat leverde verrassende inzichten op. Bijvoorbeeld dat perfectionisten níét vaker met hun omgeving botsen dan niet-perfectionisten. Iets wat de onderzoekers op grond van eerdere onderzoeken, onder hulpzoekers, wel hadden verwacht. Het beeld van de ruzie zoekende pietje-precies moest dus worden bijgesteld.

Verder bleken perfectionisten zelfs gunstig af te steken ten opzichte van niet-perfectionisten als het ging om uitstelgedrag. Die uitkomst verraste de onderzoekers nog meer, want zij hadden van therapeuten begrepen dat een hang naar volmaaktheid vaak gepaard gaat met getwijfel en getreuzel. Ten onrechte: perfectionisten ‘in het wild’ hielden zich gemiddeld juist beter aan deadlines.

Kortom, Slaneys huis-tuin-en-keukenperfectionist leek helemaal geen problematisch persoon, maar eerder een prettig geordend, betrouwbaar type. Iemand die je graag als partner of collega hebt. Dat vroeg natuurlijk om meer onderzoek, en daardoor hebben we de afgelopen jaren geleerd dat alle perfectionisten weliswaar hun hang naar orde en overzicht delen, maar dat ze verder sterk van elkaar kunnen verschillen. En dat je die verschillen grosso modo onder twee termen kunt vangen: gezond en ongezond. Ook wel ‘adaptief’ versus ‘maladaptief’ genoemd, of ‘ego-syntoon’ versus ‘ego-dystoon’: in harmonie met iemands zelfbeeld of juist ermee conflicterend.

Welke woordparen de onderzoekers ook gebruiken, hun tweedeling komt hierop neer: meer dan de helft van de perfectionisten heeft vooral voordeel van dat trekje. Ze hebben hun leven op orde, zijn opvallend stressbestendig, worden gewaardeerd door hun omgeving en zijn doorgaans heel gelukkig. Sowieso gelukkiger dan ongezonde perfectionisten, maar – verrassing! – óók gelukkiger dan mensen die helemaal niet perfectionistisch zijn. Kortom, een benijdenswaardig clubje.

Gedreven door angst

Helaas geldt dat positieve verhaal dus minder voor de tweede, kleinere groep. Hun perfectionisme werkt geregeld tegen ze. Dit zijn de mensen die maar twee smaken kennen: geslaagd of mislukt. Daardoor hebben ze vaak het gevoel te falen, piekeren ze veel en schamen ze zich altijd wel ergens voor. Hun stress-systeem maakt daardoor overuren. Kan niet missen: ongezond, maladaptief, ego-dystoon.

Waar de eerste groep gedreven wordt door een ideaalbeeld – hier wil ik heen en ik heb er vertrouwen in dat ik dat ook kan – wordt de tweede groep vooral door angst voortgestuwd: als ik niet voorbeeldig presteer, zullen ze me afwijzen. Maar dat streven gaat ondertussen niet gepaard met veel vertrouwen in eigen kunnen. En als ze dan toch, dankzij die consciëntieuze inslag en vasthoudendheid, een mooie prestatie neerzetten, denken ze dat het door de gunstige omstandigheden komt. Of ze denken dat het te makkelijk was, en leggen een volgende keer de lat hoger. Het mag duidelijk zijn: in die laatste groep zitten de mensen die vroeg of laat met paniekaanvallen of een burn-out bij de therapeut aankloppen. Terwijl het de eerste groep was die Jeff Szymanski inspireerde tot zijn lofzang op perfectionisme.

Neiging tot zwart-witdenken

Szymanski gaat ervan uit dat het mogelijk is om van de ongezonde naar de gezonde vorm te switchen. Dat zal niet iedereen met hem eens zijn, want een van de conclusies uit recent onderzoek luidt dat ongezond perfectionisme samenhangt met een hoge score op de persoonlijkheidstrek Neuroticisme. En jammer maar helaas: onze persoonlijkheid is vergaand genetisch bepaald. Andere onderzoekers stellen bovendien dat deze ongezonde vorm van perfectionisme vaak voorkomt bij mensen die in hun jeugd onveilig gehecht zijn – ook iets wat je niet zomaar even uitwist.

Toch loont het de moeite te kijken naar de kenmerken die maken dat gezonde perfectionisten zo floreren in het leven. Op welke punten verschillen ze van hun maladaptieve soortgenoten? Dat zijn er nogal wat, maar één trekje lijkt vrij cruciaal: de neiging tot zwart-witdenken. Ongezonde perfectionisten hebben die heel sterk. Eén verspreking verpest voor hun gevoel een hele presentatie, één vlekje hun hele outfit. De discrepantie tussen hun streefniveau en hun daadwerkelijke prestatie is vaak groot.

Het lijkt er, kortom, op dat ongezonde perfectionisten maar twee standen kennen. Aan en Uit. En dat maakt dat ze zich ook niet kunnen voorstellen dat traploos dimmen ook tot de mogelijkheden behoort. Ietsje minder perfectionistisch bestaat voor hen gewoon niet.

Kijk, zegt Szymanski dan: dáár valt de winst te boeken. In het besef dat er een enorm grijs veld zit tussen volmaakt en gewoon oké. En dat er al heel veel te winnen valt als je hier en daar een tikje leert dimmen. Niet op alle fronten perfect probeert te zijn, maar vaststelt wat voor jou precies de terreinen zijn waarop je wilt uitblinken en waar goed genoeg ook prima is.

Lekker lummelen

Dat is waarschijnlijk wat Brené Brown in werkelijkheid heeft gedaan. Niks perfectionisme opgeven; ze heeft het gewoon gedimd tot het weer werkte voor haar. Dat al haar boeken dateren van na haar inzinking in 2006 geeft al een indicatie. Szymanski zou zeggen: ze toont niet alleen de ambitie en inzet die bij een gezonde perfectionist horen, maar ook het vermogen te focussen en irrelevante details te laten voor wat ze zijn.

Gezien haar pompoenanekdote is ze daarnaast ook de zin van ontspannen tijdverdrijf gaan inzien. Cruciaal! Want je tijd verlummelen, dat is iets waar ongezonde perfectionisten slecht in zijn, maar waarvan de perfecte perfectionist weet hoe onmisbaar het is als je goed wilt presteren. Nee, dat hoeft niet te betekenen dat iedere ongezonde perfectionist nu als een speer pompoenen moet gaan versieren. Zandtaartjes bakken of flessenbootjes bouwen mag ook. Zolang je er van jezelf maar lekker met de pet naar mag gooien.

Meer lezen over perfectionisme?

Brené Brown, Gelukkig ben ik niet de enige. Maak van schaamte en kwetsbaarheid je kracht, A.W. Bruna, € 19,95

Brené Brown, De moed van imperfectie. Laat gaan wie je denkt te moeten zijn, A.W. Bruna, € 17,95

Jeff Szymanski, The perfectionist’s handbook. Take risks, invite criticism, and make the most of your mistakes, Wiley, € 22,99

brenebrown.com: website en blog van Brené Brown

Perfectioneer je perfectionisme

Volgens de Amerikaanse klinisch psycholoog Jeff Szymanski weten gezonde perfectionisten onder andere…

dat zelfkritiek opbouwend moet zijn.
 Ongezonde perfectionisten ranselen zichzelf af als ze een fout maken, gezonde perfectionisten oordelen eerlijk maar mild over zichzelf. Ze steken hun energie liever in de vraag waardoor het fout ging en hoe het volgende keer beter kan.

wanneer doorgaan onzinnig wordt.
 Een van de grote fouten die perfectionisten maken, is te denken: als een beetje van iets goed is, is meer ervan beter. Niet dus! Een tekst één keer op fouten checken levert een enorme kwaliteitsverbetering op, daarna neemt de opbrengst snel af. Sta dus geregeld stil bij de vraag of je inspanningen nog wel in verhouding zijn tot de opbrengst.

hoe zinnig hulp of feedback vragen is.
 Het is geen teken van zwakte; je laat er juist mee zien dat je leergierig bent. Vaak wordt je werk er alleen maar beter van als je het al in een vroeg stadium voorlegt aan iemand wiens oordeel je vertrouwt. Bang dat je de reacties niet aankunt? Spreek van tevoren met jezelf af dat je er inhoudelijk niet op in hoeft te gaan – het is voldoende om vriendelijk ‘bedankt’ te zeggen en alles na afloop nog eens rustig te overwegen.

dat orde geen doel op zich is. 
Een goed georganiseerd archief is goud waard; een archief dat zoveel subcategorieën kent dat gegevens wegbergen een lastige klus wordt, vreet vooral tijd. Vraag jezelf dus af, steeds als je zucht naar orde de kop opsteekt, wat de meerwaarde hier is.

dat niemand op alle terreinen kan uitblinken.
 De tienduizend-urenregel van de Amerikaanse psycholoog K. Anders Ericsson leert dat je pas echt goed wordt in dingen waarin je veel tijd én gerichte training steekt. Het is dus per definitie onmogelijk om ‘overal’ goed in te zijn.
Bron: Jeff Szymanski, The perfectionist’s handbook


Artikel verschenen in Psychologie Magazine op 1 november 2014. Klik hier voor het oorspronkelijke artikel.

Xandra van Hooff

Xandra’s werk gaat over acceptatie en overvloed. In haar bedrijf GaveMensen geeft en deelt ze kennis uit de diepere verwerking als kern van hoogsensitiviteit en openheid voor ervaringen voortkomen uit overexcitabilities. Ze vertelt waargebeurde verhalen waarin kleine details worden uitvergroot en wijst je precies op de aspecten van je leven waar groei mogelijk is. Xandra vertrouwt erop dat altijd alles goed komt, zij houdt er niet van risico’s te nemen maar laat zich ook nooit tegenhouden door ‘ja, maar’ en ‘wat als’-gedachten om haar dromen te verwezenlijken. Deze can-do mentaliteit zien we terug in de opleidingen Moed om te Falen & Lef om te Stralen. Hierin leer je ruimte maken voor jouw ongetemde binnenkant zodat creativiteit, gekkigheid, speelsheid en de levenslust weer volop kan stromen! Xandra wijst je in haar jaartrajecten op de lessen die je in je leven hebt mogen leren, maar waar je de vruchten nog niet van hebt geplukt. Dankzij haar vergrootglas kun je dit nu integreren en echt eigen maken. Laat deze energie in je voordeel werken en neem je jouw stap met positiviteit en het vertrouwen in een gunstige afloop. Klik op het menu hierboven voor het aanbod.